In de financiële economie speelt de theorie van de efficiënte markt een voorname rol. De namen van Nobelprijswinnaar Paul Samuelson (onlangs overleden) en Eugene Fama worden aan de basis van deze theorievorming verbonden. De theorie van de efficiënte markt stelt dat alle relevante informatie over de markt in de huidige prijs opgesloten ligt. Dit heeft twee belangrijke gevolgen. Ten eerste is het onbelangrijk om te weten welke hoeveelheden in het verleden gevraagd, aangeboden en verhandeld zijn: die informatie is al in de prijsvorming verwerkt. En ten tweede is de beste voorspeller van de toekomstige koers de huidige koers zelf. Dit is slecht nieuws voor aanhangers van de technische analyse: als men in de efficiënte markt gelooft, is technische analyse volstrekt overbodig.
Het geloof in de theorie van de efficiënte markt is behoorlijk afgenomen, zeker na de financiële crisis van 2008/2009. Vooral de veronderstelling dat alle informatie altijd beschikbaar is bij alle marktpartijen lijkt in twijfel getrokken te moeten worden. Omdat individuen onvolledig geïnformeerd zijn is irrationeel handelen of bijvoorbeeld kuddegedrag waarschijnlijk. Hierdoor wordt technische analyse ineens wel weer waardevol als men toekomstige beursbewegingen wil voorspellen.
De informatieproblemen leiden ook tot kansen voor financiële intermediairs. Financiële intermediairs zijn eigenlijk handelaren in informatie. Beleggingsfondsen bijvoorbeeld handelen in opdracht van de deelnemers en verzamelen gezamenlijk de informatie die de deelnemers op eigen houtje nooit hadden kunnen vergaren. Met deze informatie kunnen beleggingsfondsen, maar ook andere financiële marktpartijen, op zoek gaan naar winstkansen en zodoende de koersvorming beïnvloeden.
De vraag is evenwel of de rol van financiële intermediare instellingen er een is die zelfstandig voor koersveranderingen zorgt of dat die rol meer ligt in het volgen van de markt voor de deelnemers. Deze vraag is redelijk vaak door wetenschappers onderzocht en de conclusie is dat de fondsen de markt meer volgen dan beïnvloeden. Het kan wel zo zijn dat door het gedrag van de fondsen de marktoplossing sneller gevonden wordt. Maar fundamentele wijzigingen in koerspaden worden niet bewerkstelligd.
Enerzijds is dat een geruststellend idee, want in de financiële wereld is het marktmechanisme natuurlijk het belangrijkste coördinatie-instrument. De markten moeten zelf de koersen zetten en het is onwenselijk dat één of een beperkte deelverzameling van de marktpartijen de dienst uitmaakt of –maken. Anderzijds zouden de fondsen met al hun kennis natuurlijk voor stabilisatie van koersbewegingen kunnen zorgen en zo rust in de processen te brengen. Maar de belangrijkste taak van de fondsen is toch het vertalen van marktinformatie naar de wensen van de deelnemers en het adequaat aanpassen van posities aan verwachte rendementsontwikkelingen in plaats van zelf de toon te zetten in de prijsvorming. Het is geruststellend dat wetenschappelijk onderzoek dit beeld ook laat zien.
Elmer Sterken
|