Nederlandse banken hadden eind april gezamenlijk voor bijna 110 miljard euro aan staatsleningen in handen. Waaronder leningen aan Italië. Dit bericht was vroeger zeer geruststellend. Deze week zorgde dit nieuws voor felle koersdalingen van de betrokken bankaandelen. Hoe gek kan het lopen? Mijn gedachten gaan uit naar de vele beleggers die onder het mom van veiligheid via de bank in (euro) obligatiefondsen beleggen.
Menig belegger heeft in de afgelopen jaren gekozen voor obligatiebeleggingsfondsen die zich etaleren als veilige belegging. De bank de expertise, u de spreiding. Kortom, een op het eerste oog zeer prettige combinatie. Dat is nu wel anders. Met de problemen rond Grieks, Italiaans, Spaans en Iers obligatiepapier kan de fondsmanager geen kant meer op.
Doelstelling beperkt keuze Waarom niet? Veel fondsen werken met een vaststaande portefeuille opbouw. Dit kan zijn: beleggen uitsluitend in euro obligaties uitgegeven door overheden binnen de eurozone met een minimale eis op de kredietwaardigheid van de uitgevende instelling.
Wat heb je dan? Regelmatig komen we deze fondsen tegen tijdens een grondige portefeuilleanalyse. De fondsen beleggen voor een gedeelte in Nederlands en Duits staatspapier. Aangezien deze vandaag de dag geen effectief rendement leveren waar de belegger warm voor loopt, is er in de afgelopen jaren meer en meer belegd in staatspapier van landen als Frankrijk, Oostenrijk, maar ook Spanje, Ierland, Italië en Griekenland omdat deze vorig jaar nog aantrekkelijke rendementen boden. De gestelde eisen aan kredietwaardigheid zorgde er helaas voor dat staatspapier van landen als Ierland en Griekenland met grote verliezen verkocht zijn. Vervolgens is daar Italiaans staatspapier voor teruggekocht.
Onnodige overlap Het kan nog erger. De belegger die het advies van de bank om te spreiden, is namelijk nog verder van huis. Hij heeft niet 1, maar meerdere ‘euro' obligatiefondsen in de portefeuille. Bij een kritische kijk achter de schermen zien we dat de belangen van de meeste serieuze obligatiefondsen elkaar overlappen en min of meer hetzelfde acteren. Het gaat in de huidige marktomstandigheden om procentpunten. En zo kan het zijn dat u als kleine belegger geconfronteerd wordt met een wel heel groot gedeelte van uw vermogen belegd in staatsobligaties van bijvoorbeeld Italië. En de fondsmanager doet ondertussen gewoon zijn werk.
Mijn boodschap hier is: denk na, het gaat om uw vermogen. Theoretische veiligheid heeft immers slechts bestaansrecht tot het moment dat de realiteit anders aanwijst. En de signalen uit de markt vertellen mij dat de realiteit nu anders is. Eerder al schreef ik een column over het einde van het obligatietijdperk. Laat dit de tweede zijn.
Wat moet je dan als ‘veiligheid' en ‘inkomen' de voornaamste beleggingsdoelstellingen zijn? Dit is een moeilijk te beantwoorden vraag. Als belegger is het belangrijk om keuzes te maken die je vooraf, tijdens en achteraf blijft begrijpen. Het principe van een obligatie is simpel. Je leent geld tegen een bepaalde vergoeding voor een bepaalde periode om het vervolgens terug te ontvangen. Vragen als de hoogte van de vergoeding, de duur en de kans op het daadwerkelijk terugontvangen van de inleg bepalen de hoogte van de coupon.
Wat veiligheid betreft heb ik een voorkeur voor bedrijven die recessiebestendig zijn in combinatie met staatspapier waarvan de overheden niet gebukt gaan onder enorme schulden.
Het beursgenoteerde bedrijfsleven is in staat om zeer goedkoop geld uit de markt te halen. De rijke kasstroom en de gezonde balansverhoudingen houden ook de kredietbeoordelaar gedeisd. Je moet hier echter wel selectief zijn. De obligaties zijn best prijzig.
Staatsobligaties uit de groeimarkten vormen ook een aantrekkelijk alternatief. Als obligatiebelegger weten we dat veel overheden in Azië, Latijns Amerika of bijvoorbeeld Australië al enkele jaren een gestage verbetering van de kredietwaardigheid genieten. Dit is het logische gevolg van economische voorspoed en ook van groeiende inkomsten uit de winning van grondstoffen.
In veel gevallen loop je als belegger wel valutarisico. Dat kan worden afgedekt, maar de vraag is: waarom? Een sterke economie is meestal synoniem voor een sterke valuta. Bovendien hoort dit bij de gezonde afweging van rendement risico. Je moet ergens risico lopen in ruil voor een korte looptijd en een yield van 6%-7%.
Peter Cordes
Peter Cordes
|