Hoewel sommigen de dalende koers van de euro zien als het begin van het einde voor het eurotijdperk, hoeft een lagere eurokoers niet per definitie ongunstig te zijn. En momenteel zelfs zeker niet.
Immers, de lage koers van de euro leidt tot meer vraag vanuit landen van buiten de eurozone. Europese producten worden voor hen vanwege de lage koers van de euro immers steeds aantrekkelijker. En voor Europeanen geldt het omgekeerde: voor hen worden producten van buiten de eurozone steeds duurder, en dus minder aantrekkelijk. Een lagere wisselkoers leidt dus tot meer export en minder import. Van ‘beide kanten' wordt de vraag naar Europese producten daarmee gestimuleerd.
Een grotere vraag leidt tot meer productie en is voor de Europese werkgelegenheid. Maar momenteel geldt nog iets anders. De zeer lage inflatie maakt de regeringen van vele landen in Europa bijzonder zenuwachtig. Immers, gaat de inflatie over in deflatie dan zijn de potentiële gevolgen niet te overzien. Overheden in vrijwel heel Europa zitten momenteel diep in de schulden, en bij deflatie nemen deze schulden in relatieve omvang enkel toe. Deflatie moet dus ten koste van alles voorkomen worden. En lage eurokoers helpt daarbij.
Op langere termijn echter zouden beleidsmakers echter juist moeten streven naar een sterke munt. Net zoals we in Nederland door de eeuwen heen altijd een sterke gulden hebben gehad. Een sterke munt gaat namelijk gepaard met lage inflatie en een lage rente. Bedrijven kunnen hierdoor relatief goedkoop geld lenen. En omdat met een sterke munt met buitenlandse bedrijven vrijwel niet op prijs geconcurreerd kan worden moeten bedrijven zich dan wel toeleggen op innovatie en producten van bijzonder hoge kwaliteit. En juist dat komt de competitieve positie van een land –of de eurozone in zijn geheel - ten goede. Maar desondanks komt de lage eurokoers momenteel wel degelijk even goed uit.
|