De euro is nog steeds kwetsbaar en er zullen problemen blijven bestaan binnen de eurozone, tenzij het monetaire beleid van de EU en de Europese Centrale Bank (ECB) wordt aangepast, constateert de Zwitserse econoom.
Het afgelopen jaar is door problemen met Griekenland, Spanje en Portugal pijnlijk duidelijk geworden dat de stabiliteit van de euro in gevaar is. Dit is volgens Béguelin toe te schrijven aan het feit dat de euro is ingevoerd als munteenheid voor landen die in verschillende stadia van ontwikkeling verkeren. “Landen zoals Spanje, Italië, Griekenland en Portugal, die de afgelopen tijd de grootste kredietproblemen hebben gekend, hebben vaak hogere schulden dan landen als Duitsland, maar ook een lagere productiviteit”, legt de econoom uit.
De economische groei in deze zogenoemde PIGS-landen is echter wel bovengemiddeld. Die bovengemiddelde groei stuwt de lonen en leidt tot een hogere inflatie. Daarom pleit Béguelin ervoor dat de ECB de inflatiecijfers van arme landen niet meeweegt in haar inflatiedoelstelling, zodat de inflatie gemakkelijk onder de aanvaardbare 2 procent kan blijven en de centrale bank de rente niet als wapen hoeft in te zetten.
Ook met de perifere landen in de eurozone moet extra rekening worden gehouden, benadrukt de Pictet-econoom. Landen als Ierland,Finland en Griekenland drijven veel handel met hun buurlanden buiten de eurozone, zoals het Verenigd Koninkrijk, Zweden en enkele landen in Oost- en Midden- Europa. Hierdoor lopen de perifere landen extra valutarisico's. Béguelin sluit ook niet uit dat landen als het Verenigd Koninkrijk en Zweden in de toekomst hierdoor voor de keuze worden gesteld om of mee te doen met de euro, of de EU te verlaten.
Amanda Bulthuis
|