Historie
Ons land, meer bepaald de Vereenigde Oost-Indische Compagnie, heeft de eer de eerste uitgever van aandelen te zijn; bij uitstek op het vlak van commodities.
Beschamend genoeg haalde de VOC naast kruiden, specerijen en textielsoorten ook mensen (slaven) weg uit heel de wereld; een gruwelijk idee dat men ooit met commodities ook mensen bedoelde, al is dat woord natuurlijk niet van die tijd (17e eeuw). Niet Neerlands beste dagen.
Omdat reizen naar Indonesië, Afrika en de Amerika’s duur waren (bemanning, sterke schepen om de waar veilig te kunnen vervoeren, wapens, soms geld om met de bevolking ter plaatse te kunnen ruilen, maar pure diefstal was ook schering en inslag), had de VOC behoefte aan kapitaal. Nadat in eerste instantie slechts de handelaren van de waar en vrinden van de Compagnie konden participeren in de verre handelsreizen, werd al gauw ieder vermogend lid van De Nederlanden in staat gesteld een aandeel te nemen. Uiteraard werd de opbrengst van de verkoop van de lading verdeeld over de participanten. Ging in schip echter verloren in een storm, aan een zieke bemanning of aan piraterij (lees: andere handelsreizigers), waren de 'beleggers' alles kwijt. Dat kwam veel voor. Overigens waren meerdere VOC-kapiteins voor andere landen óók gewoon piraten; voor de kust van Zuid-Amerika zijn talloze Spaanse schepen door ‘onze jongens’ veroverd.
Welvaart
Het succes van de exclusieve goederen uit de Oost (en de West) maakten de VOC én ons land welvarend. De handelsorganisatie zette posten uit op tactische plaatsen en begonnen andere handelsreizigers te financieren. De Nederlanden namen al spoedig de succesformule over en de Gouden Eeuw was geboren. Grondstoffen en het beleggen daarin liggen dus letterlijk aan de basis van onze welvaart; in diverse plaatsen kent men onder meer de Peperstraat; meestal omdat daar handel werd bedreven in dat (eens dure) middel, soms ook vanuit een – in onze ogen - vreemd soort dankbaarheid of eerbetoon aan het goed zelf.
|